Van voedingsvijand tot bondgenoot
Decennialang werd verzadigd vet gezien als hét gevaar voor hart en bloedvaten. Boter, eieren en kaas verdwenen van het bord, en plantaardige oliën en lightproducten namen hun plaats in. Maar nieuw onderzoek zet dat beeld op zijn kop. Grote studies, zoals de PURE-studie in The Lancet, tonen aan dat verzadigd vet niet automatisch samenhangt met hartziekten. Integendeel: wie vetten volledig mijdt, loopt soms juist meer risico door te veel snelle koolhydraten.
Vanuit Ayurveda klinkt dat verrassend vertrouwd. Deze traditionele Indiase geneeskunde zegt al eeuwen dat het niet om “goed” of “slecht” vet gaat, maar om balans en context. De spijsvertering (agni) bepaalt hoe vetten verwerkt worden. Wanneer het verteringsvuur sterk is, voeden vetten het lichaam en de weefsels. Als agni zwak is, hopen vetten zich op en ontstaan klachten als zwaarte, vermoeidheid of ontsteking. De sleutel ligt dus niet in vetarm eten, maar in goed verteren.
Ook de manier van koken speelt een rol. Ayurveda raadt stabiele vetten aan die niet oxideren bij verhitting, zoals ghee of olijfolie. Moderne studies bevestigen dat veel zaadoliën bij hoge temperaturen schadelijke stoffen vormen. Ghee, kokosolie en boter blijken juist hittebestendig en rijk aan vetoplosbare vitamines.
Het oude idee dat vetten gevaarlijk zijn, maakt plaats voor een genuanceerder beeld. Ayurveda en moderne wetenschap lijken elkaar daarin te vinden: vetten zijn geen vijand, maar essentieel – mits met mate, van goede kwaliteit, en afgestemd op wie je bent.
Niet vet maakt ziek, maar disbalans.



